19 april 2006
Wanneer is een citatie een zelfcitatie?
Gisteren was er in Utrecht een kleine preview van de nieuwe unieke auteurs identificatie tool die Elsevier voor Scopus heeft ontwikkeld. Een knap staaltje van deduceren en rekenen, want soms weet je echt niet of er achter een bepaalde naam nog steeds dezelfde auteur schuil gaat. Elsevier komt onmiddellijk met voorbeelden uit Korea waar iedereen Lee, Kim of Park heet, maar dichter bij huis hebben we ook van dit soort problemen. Zo hebben we hier binnen een kenniseenheid (zoiets als een faculteit, maar dan anders) twee personen met de naam H. van Keulen rondlopen. Zo heeft de beroemde (ex) Wageningse geneticus M. Koornneef, een neef die sportarts is en ook een keer een publicatie geschreven heeft. Zo werken er bij Plant Research International ene P.F.G. Vereijken en een P.H Vereijken. Twee neven die allebei, slordig, slordig o hoe slordig, wel eens publiceren onder de naam Pieter Vereijken. Kortom wie er achter een bepaalde naam schuil gaat is soms niet een twee drie duidelijk. Maar op 13 mei mag ik al deze voorbeelden gaan testen (ik heb er nog een paar, maar het verhaal wordt te langdradig).
Gisteren ging Elsevier in de demo over deze tool een stapje verder en combineerden ze dit met hun prachtige citatie-analyse tool. Ze corrigeren met een druk op de knop voor zelfcitaties, maar dat doen ze naar mijn smaak net iets te kort door de bocht. Wat ze heel mooi doen is dat ze voor een auteur keurig netjes met behulp van de unieke auteurs identificatie tool correcties uitvoeren voor allerlei naamsvarianten van een onderzoeker (bijvoorbeeld dat A. Bisseling en T. Bisseling een en dezelfde auteur zijn). Ze gaan echter tekort door de bocht omdat ze slechts voor een auteur deze correcties uitvoeren. Wanneer ene G. Spikman een publicatie schrijft als enige auteur is er geen enkel probleem om te corrigeren voor zelfcitaties. Een volgende publicatie die hij schrijft met P.J.G.M. de Wit, wordt vier keer geciteerd. Een keer door G. Spikman, een tweede keer door P.J.G.M. de Wit met enkele andere onderzoekers en nog twee keren door Israëlische onderzoekers waar zowel de Wit als Spikman geen verdere banden mee hebben. Wanneer je echt wilt corrigeren voor zelfcitaties kom je uiteindelijk uit op 2 citaties, want zowel de citatie door Spikman en de citatie door de Wit gelden als een zelfcitatie.
Wanneer je een beetje in de literatuur duikt zie je dat het tot nu toe altijd technisch erg moeilijk is om te corrigeren voor zelfcitaties. Glänzel et al. 2004 geeft de volgende definitie
Wat ik me sinds gisteren ook realiseer is dat ik van het CWTS (de citatiegoeroes van Nederland) nog nooit bewust een studie onder ogen ben gekomen over dit onderwerp. Ik weet dat ze er voor corrigeren, maar ben eigenlijk niet op de hoogte van welke definitie ze gebruiken. Tot nu toe lijken mij Glänzel en Thijs de autoriteit op dit gebied.
Literatuur
Aksnes, D.W. (2003). A macro study of self-citation. Scientometrics 56(2): 235-246. http://dx.doi.org/10.1023/A:1021919228368.
Glänzel, W., B. Thijs & B. Schlemmer (2004). A bibliometric approach to the role of author self-citations in scientific communication. Scientometrics 59(1): 63-77. http://dx.doi.org/10.1023/B:SCIE.0000013299.38210.74 .
Technorati tags: citation analysis; self citations; Scopus
Gisteren ging Elsevier in de demo over deze tool een stapje verder en combineerden ze dit met hun prachtige citatie-analyse tool. Ze corrigeren met een druk op de knop voor zelfcitaties, maar dat doen ze naar mijn smaak net iets te kort door de bocht. Wat ze heel mooi doen is dat ze voor een auteur keurig netjes met behulp van de unieke auteurs identificatie tool correcties uitvoeren voor allerlei naamsvarianten van een onderzoeker (bijvoorbeeld dat A. Bisseling en T. Bisseling een en dezelfde auteur zijn). Ze gaan echter tekort door de bocht omdat ze slechts voor een auteur deze correcties uitvoeren. Wanneer ene G. Spikman een publicatie schrijft als enige auteur is er geen enkel probleem om te corrigeren voor zelfcitaties. Een volgende publicatie die hij schrijft met P.J.G.M. de Wit, wordt vier keer geciteerd. Een keer door G. Spikman, een tweede keer door P.J.G.M. de Wit met enkele andere onderzoekers en nog twee keren door Israëlische onderzoekers waar zowel de Wit als Spikman geen verdere banden mee hebben. Wanneer je echt wilt corrigeren voor zelfcitaties kom je uiteindelijk uit op 2 citaties, want zowel de citatie door Spikman en de citatie door de Wit gelden als een zelfcitatie.
Wanneer je een beetje in de literatuur duikt zie je dat het tot nu toe altijd technisch erg moeilijk is om te corrigeren voor zelfcitaties. Glänzel et al. 2004 geeft de volgende definitie
“a self-citation occurs whenever the set of co-authors of the citing paper and that of the cited one are not disjoint, that is, if these sets share at least one author.”Misschien nog mooier verwoord door Asknes (2003)
A self-citation is usually defined as a citation in which the citing and the cited paper have at least one author in common.Het wordt natuurlijk echt problematisch wanneer je op deze manier een artikel met 976 auteurs wilt corrigeren voor zelfcitaties.
Wat ik me sinds gisteren ook realiseer is dat ik van het CWTS (de citatiegoeroes van Nederland) nog nooit bewust een studie onder ogen ben gekomen over dit onderwerp. Ik weet dat ze er voor corrigeren, maar ben eigenlijk niet op de hoogte van welke definitie ze gebruiken. Tot nu toe lijken mij Glänzel en Thijs de autoriteit op dit gebied.
Literatuur
Aksnes, D.W. (2003). A macro study of self-citation. Scientometrics 56(2): 235-246. http://dx.doi.org/10.1023/A:1021919228368.
Glänzel, W., B. Thijs & B. Schlemmer (2004). A bibliometric approach to the role of author self-citations in scientific communication. Scientometrics 59(1): 63-77. http://dx.doi.org/10.1023/B:SCIE.0000013299.38210.74 .
Technorati tags: citation analysis; self citations; Scopus
Labels: Dutch
