20 januari 2010
ITC research seminar

Soms zeggen andere het zo mooi. Ik glim een beetje van trots.
Labels: Citatieanalyse, eigendunk, research assessment
28 september 2006
Ten geleide…
Ik ben er een sterk voorstander van dat de InformatieProfessional een beter gezicht krijgt op het Web. De remake van de website heeft geresulteerd in een grijze muis. Echte kansen zijn nog lang niet benut. Het is nu mogelijk te reageren op de nieuwsberichten, maar omgevormd tot een blog is nog heel wat anders.
Zo kan ik me ook voorstellen dat de redactie een blog instelt om de keuzes en afwegingen voor de selectie van artikelen in een “ten geleide” verantwoord. Geen kostbare ruimte in het gedrukte blad verspillen maar op het Web het bal openen. Zover is het nog niet. Althans de mededeling dat de IP uitkomt met welke artikelen is heel wat anders dan een redactionele blog.
Daarom bij deze maar eens voor mijn eigen artikel een ten geleide:
De aanleiding voor mijn artikel is een artikel van Ball en Tunger (2006). Hierin worden twee nieuwe markten voor wetenschappelijke bibliotheken geschetst. De eerste zijn bibliometrische analyses, de tweede zijn trend analyses, what is hot en what is not in wetenschappelijke publicaties.
Met de bibliometrische analyses zijn wij in Wageningen al een paar jaar bezig. Hierbij volgen we de methodes zoals die ontwikkeld worden door de citatiegoeroes in Leiden zo nauwgezet mogelijk, alleen dan met de databases die ons in de praktijk ter beschikking staan. Een lijstje maken met scores van citaties kan iedereen die beschikt over Web of Science of Scopus. De analyse een stapje verder tillen is vers twee. De Essential Science Indicators zijn daarbij essentieel. Tot op heden is daarover in de wetenschappelijke praktijk weinig tot niets over geschreven. Een standaard op dit gebied Moed (2005) noemt de hele ESI niet eens. Vandaar dit artikel in een vakblad over de toepassing van een beproefde wetenschappelijke methode en hoe dit te vertalen naar een onderbouwde praktijk toepassing. Daar gaat het met innovatie immers over. Wat dat betreft had ik dit verhaal zo op de OCN 2006 kunnen houden.
Het tweede deel van Ball en Tinger (2006) laat ik buiten beschouwing, omdat wat betreft de trend analyses er nog geen goede methodes zijn om in de praktijk toe te passen. ESI biedt op dit gebied enkele aanknopingspunten, maar de research fronts zijn niet bepaald de sterkste onderdelen van ESI.
Een aardige vraag die rest is natuurlijk wie onze praktijklessen nog meer kunnen volgen? Oftewel wie heeft toegang tot ESI? Naast Wageningen, in elk geval in Groningen, misschien ook Leiden, maar voor de rest moet ik het antwoord schuldig blijven.
O ja, de proefdruk van mijn artikel, verder niet geupdatet kun je hier bekijken.
Literatuur
Ball, R. & D. Tunger (2006). Bibliometric analysis : A new business area for information professionals in libraries. Support for scientific research by perception and trend analysis. Scientometrics 66(3): 561-577. http://dx.doi.org/10.1007/s11192-006-0041-0. (abonnement verplicht)
Gerritsma, W. (2006). Wetenschappers gewogen : een systeem voor citatieanalyses in de praktijk. Informatie Professional 10(10): 12 - 17. http://library.wur.nl/wasp/bestanden/LUWPUBRD_00348170_A502_001.pdf.
Moed, H.F. (2005). Citation analysis in research evaluation. Dordrecht, Springer. XIII, 346 p. http://library.wur.nl/WebQuery/clcwwwf?wq_sfx=clcwww&wq_isn=1775306.
Technorati tags: Citation analysis; Bibliometrics
Zo kan ik me ook voorstellen dat de redactie een blog instelt om de keuzes en afwegingen voor de selectie van artikelen in een “ten geleide” verantwoord. Geen kostbare ruimte in het gedrukte blad verspillen maar op het Web het bal openen. Zover is het nog niet. Althans de mededeling dat de IP uitkomt met welke artikelen is heel wat anders dan een redactionele blog.
Daarom bij deze maar eens voor mijn eigen artikel een ten geleide:
De aanleiding voor mijn artikel is een artikel van Ball en Tunger (2006). Hierin worden twee nieuwe markten voor wetenschappelijke bibliotheken geschetst. De eerste zijn bibliometrische analyses, de tweede zijn trend analyses, what is hot en what is not in wetenschappelijke publicaties.
Met de bibliometrische analyses zijn wij in Wageningen al een paar jaar bezig. Hierbij volgen we de methodes zoals die ontwikkeld worden door de citatiegoeroes in Leiden zo nauwgezet mogelijk, alleen dan met de databases die ons in de praktijk ter beschikking staan. Een lijstje maken met scores van citaties kan iedereen die beschikt over Web of Science of Scopus. De analyse een stapje verder tillen is vers twee. De Essential Science Indicators zijn daarbij essentieel. Tot op heden is daarover in de wetenschappelijke praktijk weinig tot niets over geschreven. Een standaard op dit gebied Moed (2005) noemt de hele ESI niet eens. Vandaar dit artikel in een vakblad over de toepassing van een beproefde wetenschappelijke methode en hoe dit te vertalen naar een onderbouwde praktijk toepassing. Daar gaat het met innovatie immers over. Wat dat betreft had ik dit verhaal zo op de OCN 2006 kunnen houden.
Het tweede deel van Ball en Tinger (2006) laat ik buiten beschouwing, omdat wat betreft de trend analyses er nog geen goede methodes zijn om in de praktijk toe te passen. ESI biedt op dit gebied enkele aanknopingspunten, maar de research fronts zijn niet bepaald de sterkste onderdelen van ESI.
Een aardige vraag die rest is natuurlijk wie onze praktijklessen nog meer kunnen volgen? Oftewel wie heeft toegang tot ESI? Naast Wageningen, in elk geval in Groningen, misschien ook Leiden, maar voor de rest moet ik het antwoord schuldig blijven.
O ja, de proefdruk van mijn artikel, verder niet geupdatet kun je hier bekijken.
Literatuur
Ball, R. & D. Tunger (2006). Bibliometric analysis : A new business area for information professionals in libraries. Support for scientific research by perception and trend analysis. Scientometrics 66(3): 561-577. http://dx.doi.org/10.1007/s11192-006-0041-0. (abonnement verplicht)
Gerritsma, W. (2006). Wetenschappers gewogen : een systeem voor citatieanalyses in de praktijk. Informatie Professional 10(10): 12 - 17. http://library.wur.nl/wasp/bestanden/LUWPUBRD_00348170_A502_001.pdf.
Moed, H.F. (2005). Citation analysis in research evaluation. Dordrecht, Springer. XIII, 346 p. http://library.wur.nl/WebQuery/clcwwwf?wq_sfx=clcwww&wq_isn=1775306.
Technorati tags: Citation analysis; Bibliometrics
Labels: Bibliometrie, Citatieanalyse, Informatie Professional
23 november 2005
Instructions to authors
Er zij twee groepen met mensen die deze korte titel begrijpen. Zij die wel eens een wetenschappelijk artikel gepubliceerd hebben, of zij die wel eens referentielijsten verzorgd hebben voor een wetenschappelijke publicatie. Ik zit in beide kampen, maar blog vooral hierover omdat ik in een team zit die aan mijn Universiteit EndNote ondersteunt. Een prachtig programma om literatuurlijstjes te maken. Mijn lijst met gelezen artikelen komt ook uit EndNote rollen. Voor onderzoekers verlenen wij ondersteuning omdat we voor sommige tijdschriften een EndNote style op stellen. Eigenlijk is dat een nachtmerrie. Gedetailleerd lezen van de ‘instuctions to authors’ vergelijken met recente referentie lijstjes levert altijd discrepanties op. Dan zit je met de vraag hoe moet je nu echt naar een conferentie bijdrage verwijzen, of hoe zit het nu met dit boekhoofdstuk? Op deze manier heb ik menig mailtje naar editors van tijdschriften gestuurd om vooral te vragen duidelijker te zijn in de ‘instructions to authors’. Daarom is de ondersteuning voor het maken van EndNote styles altijd een moeizame aangelegenheid geweest. Heel blij zijn we daarom met Wiley, dat EndNote styles voor al hun tijdschriften beschikbaar stelt.
Het was pas toen ik Jacsó, (2005) zijn artikel las dat ik me realiseerde dat daar verbetering in moest komen. Vooral omdat citatie-analyse in toenemende mate een rol speelt in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Om deze methode beter te maken moet de kwaliteit van de databases waarmee we dit doen vergroot worden. Zowel de kwaliteit als de kwantiteit moet, en kan beter. Tot op heden heeft ISI (Tompson Scientific) het primaat op citatiedata. Elsevier kwam vorig jaar met een concurrerend product, Scopus genaamd, en vervolgens Google Scholar (Schoogle, zoals ik het lelijke eendje weleens liefkozend noem) dat ook citatiedata heeft. Volgens Jacsó moeten we aan de laatste geen woorden vuil maken, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens.
Maar wat is nu het probleem met citatiedata?
Onderzoekers, schrijvers, etc., maken (vaak) fouten bij het typen van referentielijsten. Deels omdat ‘instructions to authors’ niet duidelijk zijn, inconsequent zijn, of fouten bevatten. Maar er worden vooral fouten gemaakt omdat ieder zichzelf respecterend tijdschrift zijn eigen specifieke 'Instruction to authors' heeft. Er zijn waarschijnlijk tussen de 24,000 en 50,000 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften (Tenopir, 2004) en allemaal met hun eigen ‘instructions to authors’. Dat is dus lastig voor die onderzoekers om goed te doen.
De tweede bron met fouten zit in het scannen en herkennen van de citatielijstjes door de makers van de citatie databases. Schoogle natuurlijk als ultiem voorbeeld van hoe het mis kan gaan, maar ook ISI en Scopus hebben hier moeite mee. Voor ieder tijdschrift hebben ze weer een ander algoritme nodig om het citatielijstje te kunnen ontcijferen. Er staat niet voor elke referentie om wat voor soort (boek, artikel, conferentie of website) referentie het gaat. Nee, de software moet het allemaal maar oplossen. Daarnaast willen de 6 en 8 (in geval van pagina’s) wel eens op elkaar lijken. Kortom volop bronnen van fouten.
De sleutel voor het oplossen van dit probleem is nu binnen handbereik en ligt bij Elsevier. Zij zijn betrokken bij de totstandkoming van 1600 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften, en sinds een jaar de markt op met een bibliografische database die ook citatiedata bevat. Deze dubbelrol moeten zij zich eens ernstig gaan overwegen. Waarom zouden zij niet één duidelijke, recht toe recht aan, ‘instructions to authors’ kunnen afgeven die voor alle Elsevier tijdschriften geldt! Ze maken het de auteurs makkelijker en vervolgens ook zichzelf. Ze zetten daarmee in elk geval de juiste toon. Wanneer meer uitgevers dat voorbeeld zouden volgen, verbeterd daarna de kwaliteit van de citatiedata vanzelf.
Literatuur
Jacsó, P. (2005). As we may search - Comparison of major features of the Web of Science , Scopus, and Google Scholar citation-based and citation-enhanced databases. Current Science 89(9): 1537-1547. http://www.ias.ac.in/currsci/nov102005/1537.pdf.
Tenopir, C. (2004). Online scholarly journals: How many? Library Journal 129(2): 32. http://www.libraryjournal.com/index.asp?layout=articlePrint&articleID=CA374956.
Technorati tags: Citation analysis; instruction to authors
Het was pas toen ik Jacsó, (2005) zijn artikel las dat ik me realiseerde dat daar verbetering in moest komen. Vooral omdat citatie-analyse in toenemende mate een rol speelt in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Om deze methode beter te maken moet de kwaliteit van de databases waarmee we dit doen vergroot worden. Zowel de kwaliteit als de kwantiteit moet, en kan beter. Tot op heden heeft ISI (Tompson Scientific) het primaat op citatiedata. Elsevier kwam vorig jaar met een concurrerend product, Scopus genaamd, en vervolgens Google Scholar (Schoogle, zoals ik het lelijke eendje weleens liefkozend noem) dat ook citatiedata heeft. Volgens Jacsó moeten we aan de laatste geen woorden vuil maken, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens.
Maar wat is nu het probleem met citatiedata?
Onderzoekers, schrijvers, etc., maken (vaak) fouten bij het typen van referentielijsten. Deels omdat ‘instructions to authors’ niet duidelijk zijn, inconsequent zijn, of fouten bevatten. Maar er worden vooral fouten gemaakt omdat ieder zichzelf respecterend tijdschrift zijn eigen specifieke 'Instruction to authors' heeft. Er zijn waarschijnlijk tussen de 24,000 en 50,000 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften (Tenopir, 2004) en allemaal met hun eigen ‘instructions to authors’. Dat is dus lastig voor die onderzoekers om goed te doen.
De tweede bron met fouten zit in het scannen en herkennen van de citatielijstjes door de makers van de citatie databases. Schoogle natuurlijk als ultiem voorbeeld van hoe het mis kan gaan, maar ook ISI en Scopus hebben hier moeite mee. Voor ieder tijdschrift hebben ze weer een ander algoritme nodig om het citatielijstje te kunnen ontcijferen. Er staat niet voor elke referentie om wat voor soort (boek, artikel, conferentie of website) referentie het gaat. Nee, de software moet het allemaal maar oplossen. Daarnaast willen de 6 en 8 (in geval van pagina’s) wel eens op elkaar lijken. Kortom volop bronnen van fouten.
De sleutel voor het oplossen van dit probleem is nu binnen handbereik en ligt bij Elsevier. Zij zijn betrokken bij de totstandkoming van 1600 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften, en sinds een jaar de markt op met een bibliografische database die ook citatiedata bevat. Deze dubbelrol moeten zij zich eens ernstig gaan overwegen. Waarom zouden zij niet één duidelijke, recht toe recht aan, ‘instructions to authors’ kunnen afgeven die voor alle Elsevier tijdschriften geldt! Ze maken het de auteurs makkelijker en vervolgens ook zichzelf. Ze zetten daarmee in elk geval de juiste toon. Wanneer meer uitgevers dat voorbeeld zouden volgen, verbeterd daarna de kwaliteit van de citatiedata vanzelf.
Literatuur
Jacsó, P. (2005). As we may search - Comparison of major features of the Web of Science , Scopus, and Google Scholar citation-based and citation-enhanced databases. Current Science 89(9): 1537-1547. http://www.ias.ac.in/currsci/nov102005/1537.pdf.
Tenopir, C. (2004). Online scholarly journals: How many? Library Journal 129(2): 32. http://www.libraryjournal.com/index.asp?layout=articlePrint&articleID=CA374956.
Technorati tags: Citation analysis; instruction to authors
Labels: Citatieanalyse, Elsevier, EndNote, Referentielijsten
