23 november 2005
Instructions to authors
Er zij twee groepen met mensen die deze korte titel begrijpen. Zij die wel eens een wetenschappelijk artikel gepubliceerd hebben, of zij die wel eens referentielijsten verzorgd hebben voor een wetenschappelijke publicatie. Ik zit in beide kampen, maar blog vooral hierover omdat ik in een team zit die aan mijn Universiteit EndNote ondersteunt. Een prachtig programma om literatuurlijstjes te maken. Mijn lijst met gelezen artikelen komt ook uit EndNote rollen. Voor onderzoekers verlenen wij ondersteuning omdat we voor sommige tijdschriften een EndNote style op stellen. Eigenlijk is dat een nachtmerrie. Gedetailleerd lezen van de ‘instuctions to authors’ vergelijken met recente referentie lijstjes levert altijd discrepanties op. Dan zit je met de vraag hoe moet je nu echt naar een conferentie bijdrage verwijzen, of hoe zit het nu met dit boekhoofdstuk? Op deze manier heb ik menig mailtje naar editors van tijdschriften gestuurd om vooral te vragen duidelijker te zijn in de ‘instructions to authors’. Daarom is de ondersteuning voor het maken van EndNote styles altijd een moeizame aangelegenheid geweest. Heel blij zijn we daarom met Wiley, dat EndNote styles voor al hun tijdschriften beschikbaar stelt.
Het was pas toen ik Jacsó, (2005) zijn artikel las dat ik me realiseerde dat daar verbetering in moest komen. Vooral omdat citatie-analyse in toenemende mate een rol speelt in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Om deze methode beter te maken moet de kwaliteit van de databases waarmee we dit doen vergroot worden. Zowel de kwaliteit als de kwantiteit moet, en kan beter. Tot op heden heeft ISI (Tompson Scientific) het primaat op citatiedata. Elsevier kwam vorig jaar met een concurrerend product, Scopus genaamd, en vervolgens Google Scholar (Schoogle, zoals ik het lelijke eendje weleens liefkozend noem) dat ook citatiedata heeft. Volgens Jacsó moeten we aan de laatste geen woorden vuil maken, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens.
Maar wat is nu het probleem met citatiedata?
Onderzoekers, schrijvers, etc., maken (vaak) fouten bij het typen van referentielijsten. Deels omdat ‘instructions to authors’ niet duidelijk zijn, inconsequent zijn, of fouten bevatten. Maar er worden vooral fouten gemaakt omdat ieder zichzelf respecterend tijdschrift zijn eigen specifieke 'Instruction to authors' heeft. Er zijn waarschijnlijk tussen de 24,000 en 50,000 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften (Tenopir, 2004) en allemaal met hun eigen ‘instructions to authors’. Dat is dus lastig voor die onderzoekers om goed te doen.
De tweede bron met fouten zit in het scannen en herkennen van de citatielijstjes door de makers van de citatie databases. Schoogle natuurlijk als ultiem voorbeeld van hoe het mis kan gaan, maar ook ISI en Scopus hebben hier moeite mee. Voor ieder tijdschrift hebben ze weer een ander algoritme nodig om het citatielijstje te kunnen ontcijferen. Er staat niet voor elke referentie om wat voor soort (boek, artikel, conferentie of website) referentie het gaat. Nee, de software moet het allemaal maar oplossen. Daarnaast willen de 6 en 8 (in geval van pagina’s) wel eens op elkaar lijken. Kortom volop bronnen van fouten.
De sleutel voor het oplossen van dit probleem is nu binnen handbereik en ligt bij Elsevier. Zij zijn betrokken bij de totstandkoming van 1600 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften, en sinds een jaar de markt op met een bibliografische database die ook citatiedata bevat. Deze dubbelrol moeten zij zich eens ernstig gaan overwegen. Waarom zouden zij niet één duidelijke, recht toe recht aan, ‘instructions to authors’ kunnen afgeven die voor alle Elsevier tijdschriften geldt! Ze maken het de auteurs makkelijker en vervolgens ook zichzelf. Ze zetten daarmee in elk geval de juiste toon. Wanneer meer uitgevers dat voorbeeld zouden volgen, verbeterd daarna de kwaliteit van de citatiedata vanzelf.
Literatuur
Jacsó, P. (2005). As we may search - Comparison of major features of the Web of Science , Scopus, and Google Scholar citation-based and citation-enhanced databases. Current Science 89(9): 1537-1547. http://www.ias.ac.in/currsci/nov102005/1537.pdf.
Tenopir, C. (2004). Online scholarly journals: How many? Library Journal 129(2): 32. http://www.libraryjournal.com/index.asp?layout=articlePrint&articleID=CA374956.
Technorati tags: Citation analysis; instruction to authors
Het was pas toen ik Jacsó, (2005) zijn artikel las dat ik me realiseerde dat daar verbetering in moest komen. Vooral omdat citatie-analyse in toenemende mate een rol speelt in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Om deze methode beter te maken moet de kwaliteit van de databases waarmee we dit doen vergroot worden. Zowel de kwaliteit als de kwantiteit moet, en kan beter. Tot op heden heeft ISI (Tompson Scientific) het primaat op citatiedata. Elsevier kwam vorig jaar met een concurrerend product, Scopus genaamd, en vervolgens Google Scholar (Schoogle, zoals ik het lelijke eendje weleens liefkozend noem) dat ook citatiedata heeft. Volgens Jacsó moeten we aan de laatste geen woorden vuil maken, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens.
Maar wat is nu het probleem met citatiedata?
Onderzoekers, schrijvers, etc., maken (vaak) fouten bij het typen van referentielijsten. Deels omdat ‘instructions to authors’ niet duidelijk zijn, inconsequent zijn, of fouten bevatten. Maar er worden vooral fouten gemaakt omdat ieder zichzelf respecterend tijdschrift zijn eigen specifieke 'Instruction to authors' heeft. Er zijn waarschijnlijk tussen de 24,000 en 50,000 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften (Tenopir, 2004) en allemaal met hun eigen ‘instructions to authors’. Dat is dus lastig voor die onderzoekers om goed te doen.
De tweede bron met fouten zit in het scannen en herkennen van de citatielijstjes door de makers van de citatie databases. Schoogle natuurlijk als ultiem voorbeeld van hoe het mis kan gaan, maar ook ISI en Scopus hebben hier moeite mee. Voor ieder tijdschrift hebben ze weer een ander algoritme nodig om het citatielijstje te kunnen ontcijferen. Er staat niet voor elke referentie om wat voor soort (boek, artikel, conferentie of website) referentie het gaat. Nee, de software moet het allemaal maar oplossen. Daarnaast willen de 6 en 8 (in geval van pagina’s) wel eens op elkaar lijken. Kortom volop bronnen van fouten.
De sleutel voor het oplossen van dit probleem is nu binnen handbereik en ligt bij Elsevier. Zij zijn betrokken bij de totstandkoming van 1600 peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften, en sinds een jaar de markt op met een bibliografische database die ook citatiedata bevat. Deze dubbelrol moeten zij zich eens ernstig gaan overwegen. Waarom zouden zij niet één duidelijke, recht toe recht aan, ‘instructions to authors’ kunnen afgeven die voor alle Elsevier tijdschriften geldt! Ze maken het de auteurs makkelijker en vervolgens ook zichzelf. Ze zetten daarmee in elk geval de juiste toon. Wanneer meer uitgevers dat voorbeeld zouden volgen, verbeterd daarna de kwaliteit van de citatiedata vanzelf.
Literatuur
Jacsó, P. (2005). As we may search - Comparison of major features of the Web of Science , Scopus, and Google Scholar citation-based and citation-enhanced databases. Current Science 89(9): 1537-1547. http://www.ias.ac.in/currsci/nov102005/1537.pdf.
Tenopir, C. (2004). Online scholarly journals: How many? Library Journal 129(2): 32. http://www.libraryjournal.com/index.asp?layout=articlePrint&articleID=CA374956.
Technorati tags: Citation analysis; instruction to authors
Labels: Citatieanalyse, Elsevier, EndNote, Referentielijsten
