27 mei 2008
Nick van Dam: e-Learning voor kenniswerkers
Nick van Dam begint zijn verhaal met een aantal indrukwekkende cijfers over het aantal mensen dat de komende 10 jaar met pensioen gaan. Over de verandering in skills die nodig zijn om de banen van morgen te vervullen. Makkelijk maar wel nodig om die globale cijfers dringend onder de ogen te zien.
Het mooie van de presentatie van Nick zit in feite in de verzameling screen shots van de e-learning systeem dat ze bij Deloitte gebruiken om formeel en informeel leren bij 150.000 medewerkers wereldwijd te te stimuleren, faciliteren en bij te houden.
Ook coaching speelt een belangrijke rol bij Deloitte, maar ook dat gebeurt bij Deloitte veelal online. Voor het informele leren worden veel podcasts ingezet die medewerkers kunnen downloaden en afspelen in hun eigen tijd.
In het learning systeem van Deloitte zitten veel web 2.0 elementen, waarvan communities vaak genoemd werden. Communities of Practice maar ook Social networks voor Deloitte medewerkers.
Als laatste benadrukt Nick zijn stichting e-learning for kids die ik hier voor de goede zaak ook maar even link.
Het mooie van de presentatie van Nick zit in feite in de verzameling screen shots van de e-learning systeem dat ze bij Deloitte gebruiken om formeel en informeel leren bij 150.000 medewerkers wereldwijd te te stimuleren, faciliteren en bij te houden.
Ook coaching speelt een belangrijke rol bij Deloitte, maar ook dat gebeurt bij Deloitte veelal online. Voor het informele leren worden veel podcasts ingezet die medewerkers kunnen downloaden en afspelen in hun eigen tijd.
In het learning systeem van Deloitte zitten veel web 2.0 elementen, waarvan communities vaak genoemd werden. Communities of Practice maar ook Social networks voor Deloitte medewerkers.
Als laatste benadrukt Nick zijn stichting e-learning for kids die ik hier voor de goede zaak ook maar even link.
Labels: Nick van Dam, TUVK08
Lourense Das: Heinrich Heine revisited: trends op zoek naar mediatheken in Nederland
Lourense Das hield een verhaal over de treurige staat waarin schoolmediatheken zich thans bevinden. Ook in het rapport Dijsselbloem kwamen de schoolmediatheken er bekaaid vanaf, terwijl je zou denken dat die in ver doorgevoerde studielandschappen een belangrijke rol zouden spelen.
Uit een ongepubliceerd onderzoek blijken een paar alarmerende cijfers, 33% van de schoolmediatheken heeft geen eigenwebsite en 80% biedt geen on-line bronnen aan. –ook geen krantenbank, vraag ik me dan af?
Voor goede voorbeelden laat ze een paar buitenlandse voorbeelden zien waaronder www.sdst.org/shs/library en http://www.scotch.vic.edu.au/Library/library.htm
Uit een ongepubliceerd onderzoek blijken een paar alarmerende cijfers, 33% van de schoolmediatheken heeft geen eigenwebsite en 80% biedt geen on-line bronnen aan. –ook geen krantenbank, vraag ik me dan af?
Voor goede voorbeelden laat ze een paar buitenlandse voorbeelden zien waaronder www.sdst.org/shs/library en http://www.scotch.vic.edu.au/Library/library.htm
Labels: Lourense Das, TUVK08
Patrick Vanouplines: Samenvoegen van informatie uit verschillende bronnen om de impact van OA-Tijdschriften te kennen
Patrick rapporteert een onderzoek naar de Impact Factoren van OA tijdschriften uit 2006. In totaal vonden ze 295 journals die in de directories voor OA tijdschriften en in de JCR 2005 voorkomen. Helaas hebben ze het onderzoek nooit eerder gerapporteerd of gepubliceerd. Maar het goede nieuws zat in de staart van de presentatie.
Hij wees ons op Journal info waar voor duizenden tijdschriften informatie bij elkaar gezet wordt. In elk geval ook ook duidelijke gegevens over licentie en copyright voorwaarden. Het systeem wordt ook onderhouden door de universiteit van Lund, die ook de DOAJ bijhouden.
Mooiste nieuws is dat DOAJ de IF van van Thomson ISI mag gaan publiceren voor de OA tijdschriften. Thomson op zijn beurt gaat ook de OA tijdschriften beter benadrukken in hun databases.
De impact factoren van OA tijdschriften zoals uitgevogeld door Vanouplines in 2006 kunnen we binnenkort dus zelf makkelijk herhalen in de DOAJ en JCR zelf wanneer in juni de jaarlijkse update plaats vindt.
Hij wees ons op Journal info waar voor duizenden tijdschriften informatie bij elkaar gezet wordt. In elk geval ook ook duidelijke gegevens over licentie en copyright voorwaarden. Het systeem wordt ook onderhouden door de universiteit van Lund, die ook de DOAJ bijhouden.
Mooiste nieuws is dat DOAJ de IF van van Thomson ISI mag gaan publiceren voor de OA tijdschriften. Thomson op zijn beurt gaat ook de OA tijdschriften beter benadrukken in hun databases.
De impact factoren van OA tijdschriften zoals uitgevogeld door Vanouplines in 2006 kunnen we binnenkort dus zelf makkelijk herhalen in de DOAJ en JCR zelf wanneer in juni de jaarlijkse update plaats vindt.
1989 : Mijn gesproken column tijdens de technologie update voor kenniswerkers
1989 zal voor de meesten mensen in de zaal in het geheugen gegrift staan als het jaar van de val van de Berlijnse muur. Enkelen van U zullen nog precies weten wat ze deden op de avond van de 9e november 1989 toen de Oost-Berlijners met open armen door West-Berlijners werden ontvangen. Het was live op televisie!
1989 zal niet bij iedereen synoniem zijn met het jaar waarin Tim Berners-Lee het voorstel schreef voor wat later uitgroeide tot het World Wide Web. Met het World Wide Web werd het Internet toegankelijk voor de grote massa. En de massa omarmde het Web op grote schaal.
Wanneer we nu even gebruik maken van onze time warp techniek en ons 500 jaar teleporteren dan kunnen we getuige zijn van de discussie over het canon van de geschiedenis van de Europese Republiek. Waar de boekdrukkunst het canon van de Nederlandse geschiedenis net niet haalde, daar zal het jaar 1989 wel bijgezet worden in het geschiedeniscanon van 2508. Het geesteskind van Sir Tim Berners-Lee wordt dan erkend als het startschot voor een complete omwenteling waarop wij informatie assimileren. Zoals de boekdrukkunst 500 jaar geleden een enorme revolutie betekende voor de verspreiding van informatie heeft de uitvinding van het WWW enorme repercussies voor onze samenleving. Zeker voor hen die beroepsmatig informatie verwerken.
Alleen wij lijken het ons nog niet te realiseren dat wij getuige zijn van een informatierevolutie. Hoewel, sommigen willen best wel erkennen dat Web 1.0 enkele goede zaken met zich mee heeft gebracht. Elektronische tijdschriften in wetenschappelijke bibliotheken zijn daar een voorbeeld van. Maar wel een typisch voorbeeld van het “read” only Web. Het wetenschappelijke bedrijf gaat voort langs de reeds gebaande paden en het papier wordt thans zo nauwkeurig mogelijk nagebootst als PDF document. Mateloos populair wanneer we ons in de gebruiksstatistieken van elektronische bibliotheken verdiepen. Overigens is het een misvatting dat PDF staat voor Portable Document Format. Met alle beklemmende DRM software vandien is het beter om te spreken van Paper Document Format.
De populariteit die Web 1.0 zich thans mag verheugen aan de Beta-faculteiten van de universiteit verspreid zich langzaam verder en lijkt, met de invoering van eerste grote contracten voor elektronische boeken, zich ook uit te strekken naar de Alfa-faculteiten.
Een essentieel onderdeel van de eerste concepten voor het WWW idee was ook de mogelijkheid om elders te kunnen schrijven en te herschrijven. Het heeft vijftien jaar moeten duren voordat recht gedaan werd aan het schrijfdeel van de WWW-standaard met de komst van simpele schrijftools èn goedkope geheugenruimte èn alomtegenwoordige internettoegang. Het is de tweede Tim in dit verhaal, Tim 2.0, oftewel Tim O’Reilly die de mogelijkheden van het Writable Web voor ons expliciet voor het voetlicht bracht. Hij noemde het Web 2.0. Soms wordt de kreet Web 2.0 afgedaan als een geniale marketing vondst. Die het natuurlijk ook is, maar laten we dan wel wezen en toegeven dat het een term is die ons heeft doen beseffen dat het op het Web om meer draait dan alleen het beschikbaar stellen van informatie in elektronische vorm. Het gaat om schrijven, verrijken, toevoegen, becommentariëren, strepen, verwijzen, verbeteren, verbinden en voortborduren op informatie. Dit geldt niet alleen voor tekst, maar natuurlijk ook voor beeld en geluid. Het liefst alles in de mix.
Opeens ligt er een heel scala aan mogelijkheden open voor de gebruikers en producenten van elektronische informatie. We zijn inmiddels omgedoopt naar prosumers.
Mijn eerder genoemde wetenschappers die al gretig gebruik maken van de elektronische tijdschriften beseffen nog maar ten dele dat het onderliggende papier gebaseerde communicatiemodel zijn beste tijd gehad heeft. Dat ook voor de wetenschap het nieuwe communicatiemodel een directe schrijfcomponent bevat. Niet slechts een letter to the editor die een paar maanden later gepubliceerd wordt. Nee direct, reageren wordt de standaard. Daar waar de schrijver stopt met schrijven, gaat het artikel verder met het commentaar, annotaties, verwijzingen, verbeteringen, track-backs en nieuw toegevoegde data.
En de bibliotheek?
Voor de bibliotheek zijn er prachtige tijden aangebroken. We hebben niet meer alleen te maken met het beschikbaar stellen van informatie voor onze gebruikers van buiten naar binnen. We moeten ook de vruchten van de arbeid van onze gebruikers beschikbaar stellen aan de buitenwereld. Er komt een tegengestelde informatiestroom bij. Na een paar iteraties van dit soort communicatie hebben we een complete discussie. De discussie die plaats vindt moeten we vastleggen en beschikbaar stellen. Het communicatieproces als het ware faciliteren en archiveren. Dit alles natuurlijk op basis van standaards en afspraken die hergebruik mogelijk maken. Het werkterrein zal zich ook verdiepen naar de onderliggende datasets. We doen dat niet alleen. Een collectie hebben ook nooit alleen gebouwd. Dat doen we samen met onze gebruikers en leveranciers. Dat doen we met nieuwe tools en technieken die thans nog niet in ons pakket zitten maar er wel onverwijld in moeten komen.
Kortom, Web 2.0 stelt nieuwe eisen aan de bibliotheek en daarmee aan de mensen die in de bibliotheek werken. Het vak verandert, en snel ook. Wanneer we nu niet het Web op gaan om te verkennen wat voor mogelijkheden er allemaal voorhanden zijn en wat we daarvan kunnen gebruiken om ons nieuwe werk beter te doen, dan laten we een gouden kans liggen.
En dat mogen we met zijn allen niet laten gebeuren. Kortom grijp deze kans die bibliotheek 2.0 heet!
1989 zal niet bij iedereen synoniem zijn met het jaar waarin Tim Berners-Lee het voorstel schreef voor wat later uitgroeide tot het World Wide Web. Met het World Wide Web werd het Internet toegankelijk voor de grote massa. En de massa omarmde het Web op grote schaal.
Wanneer we nu even gebruik maken van onze time warp techniek en ons 500 jaar teleporteren dan kunnen we getuige zijn van de discussie over het canon van de geschiedenis van de Europese Republiek. Waar de boekdrukkunst het canon van de Nederlandse geschiedenis net niet haalde, daar zal het jaar 1989 wel bijgezet worden in het geschiedeniscanon van 2508. Het geesteskind van Sir Tim Berners-Lee wordt dan erkend als het startschot voor een complete omwenteling waarop wij informatie assimileren. Zoals de boekdrukkunst 500 jaar geleden een enorme revolutie betekende voor de verspreiding van informatie heeft de uitvinding van het WWW enorme repercussies voor onze samenleving. Zeker voor hen die beroepsmatig informatie verwerken.
Alleen wij lijken het ons nog niet te realiseren dat wij getuige zijn van een informatierevolutie. Hoewel, sommigen willen best wel erkennen dat Web 1.0 enkele goede zaken met zich mee heeft gebracht. Elektronische tijdschriften in wetenschappelijke bibliotheken zijn daar een voorbeeld van. Maar wel een typisch voorbeeld van het “read” only Web. Het wetenschappelijke bedrijf gaat voort langs de reeds gebaande paden en het papier wordt thans zo nauwkeurig mogelijk nagebootst als PDF document. Mateloos populair wanneer we ons in de gebruiksstatistieken van elektronische bibliotheken verdiepen. Overigens is het een misvatting dat PDF staat voor Portable Document Format. Met alle beklemmende DRM software vandien is het beter om te spreken van Paper Document Format.
De populariteit die Web 1.0 zich thans mag verheugen aan de Beta-faculteiten van de universiteit verspreid zich langzaam verder en lijkt, met de invoering van eerste grote contracten voor elektronische boeken, zich ook uit te strekken naar de Alfa-faculteiten.
Een essentieel onderdeel van de eerste concepten voor het WWW idee was ook de mogelijkheid om elders te kunnen schrijven en te herschrijven. Het heeft vijftien jaar moeten duren voordat recht gedaan werd aan het schrijfdeel van de WWW-standaard met de komst van simpele schrijftools èn goedkope geheugenruimte èn alomtegenwoordige internettoegang. Het is de tweede Tim in dit verhaal, Tim 2.0, oftewel Tim O’Reilly die de mogelijkheden van het Writable Web voor ons expliciet voor het voetlicht bracht. Hij noemde het Web 2.0. Soms wordt de kreet Web 2.0 afgedaan als een geniale marketing vondst. Die het natuurlijk ook is, maar laten we dan wel wezen en toegeven dat het een term is die ons heeft doen beseffen dat het op het Web om meer draait dan alleen het beschikbaar stellen van informatie in elektronische vorm. Het gaat om schrijven, verrijken, toevoegen, becommentariëren, strepen, verwijzen, verbeteren, verbinden en voortborduren op informatie. Dit geldt niet alleen voor tekst, maar natuurlijk ook voor beeld en geluid. Het liefst alles in de mix.
Opeens ligt er een heel scala aan mogelijkheden open voor de gebruikers en producenten van elektronische informatie. We zijn inmiddels omgedoopt naar prosumers.
Mijn eerder genoemde wetenschappers die al gretig gebruik maken van de elektronische tijdschriften beseffen nog maar ten dele dat het onderliggende papier gebaseerde communicatiemodel zijn beste tijd gehad heeft. Dat ook voor de wetenschap het nieuwe communicatiemodel een directe schrijfcomponent bevat. Niet slechts een letter to the editor die een paar maanden later gepubliceerd wordt. Nee direct, reageren wordt de standaard. Daar waar de schrijver stopt met schrijven, gaat het artikel verder met het commentaar, annotaties, verwijzingen, verbeteringen, track-backs en nieuw toegevoegde data.
En de bibliotheek?
Voor de bibliotheek zijn er prachtige tijden aangebroken. We hebben niet meer alleen te maken met het beschikbaar stellen van informatie voor onze gebruikers van buiten naar binnen. We moeten ook de vruchten van de arbeid van onze gebruikers beschikbaar stellen aan de buitenwereld. Er komt een tegengestelde informatiestroom bij. Na een paar iteraties van dit soort communicatie hebben we een complete discussie. De discussie die plaats vindt moeten we vastleggen en beschikbaar stellen. Het communicatieproces als het ware faciliteren en archiveren. Dit alles natuurlijk op basis van standaards en afspraken die hergebruik mogelijk maken. Het werkterrein zal zich ook verdiepen naar de onderliggende datasets. We doen dat niet alleen. Een collectie hebben ook nooit alleen gebouwd. Dat doen we samen met onze gebruikers en leveranciers. Dat doen we met nieuwe tools en technieken die thans nog niet in ons pakket zitten maar er wel onverwijld in moeten komen.
Kortom, Web 2.0 stelt nieuwe eisen aan de bibliotheek en daarmee aan de mensen die in de bibliotheek werken. Het vak verandert, en snel ook. Wanneer we nu niet het Web op gaan om te verkennen wat voor mogelijkheden er allemaal voorhanden zijn en wat we daarvan kunnen gebruiken om ons nieuwe werk beter te doen, dan laten we een gouden kans liggen.
En dat mogen we met zijn allen niet laten gebeuren. Kortom grijp deze kans die bibliotheek 2.0 heet!
Labels: Bibliotheek 2.0, IK0527, TUVK08, Web 2.0
Josje Calff: De papierloze bibliotheek?
Josje Calff, gaat in op het proces van digitaliseren van bibliotheken.
Naast de fysieke plaatselijke bibliotheek pleit Josje voor een Nederlandse digitale bibliotheek. Ze illustreert dit aan de hand van de site van bibliotheek.nl, waar je wel naar bibliotheken kunt zoeken, maar niet naar digitale content. Eigenlijk van de gekke dat die nationale digitale bibliotheek niet van de grond komt. En waarom niet ook een nationale wetenschappelijk digitale bibliotheek daar bij.
Een prangende vraag van Josje is wie er wat digitaliseert. Josje lijkt het standpunt in te nemen dat je dubbel digitaliseren moet voorkomen. Iets waar Google zich in de praktijk niets van lijkt aan te trekken. Zie pleit vooral voor een goede coördinatie om dubbel werk te voorkomen. Regie, controle en coördinatie. Heerlijke beleidsonderwerpen. Niet helemaal mijn straatje als het maar gaat gebeuren.
Vervangt het digitaal het papier? Er wordt vooral gewezen op de mogelijke doorbraak van de e-boek reader. Vervolgens gaat ze in op de kosten aspecten van papier versus digitale opslag. Helaas lijkt het haar onmogelijk omdat op dit moment met goede cijfers te ondersteunen.
Naast de fysieke plaatselijke bibliotheek pleit Josje voor een Nederlandse digitale bibliotheek. Ze illustreert dit aan de hand van de site van bibliotheek.nl, waar je wel naar bibliotheken kunt zoeken, maar niet naar digitale content. Eigenlijk van de gekke dat die nationale digitale bibliotheek niet van de grond komt. En waarom niet ook een nationale wetenschappelijk digitale bibliotheek daar bij.
Een prangende vraag van Josje is wie er wat digitaliseert. Josje lijkt het standpunt in te nemen dat je dubbel digitaliseren moet voorkomen. Iets waar Google zich in de praktijk niets van lijkt aan te trekken. Zie pleit vooral voor een goede coördinatie om dubbel werk te voorkomen. Regie, controle en coördinatie. Heerlijke beleidsonderwerpen. Niet helemaal mijn straatje als het maar gaat gebeuren.
Vervangt het digitaal het papier? Er wordt vooral gewezen op de mogelijke doorbraak van de e-boek reader. Vervolgens gaat ze in op de kosten aspecten van papier versus digitale opslag. Helaas lijkt het haar onmogelijk omdat op dit moment met goede cijfers te ondersteunen.
Labels: digitale bibliotheek, josje calff, TUVK08
Marc van den Berg: Library 2.0 en verder
Marc van den Berg is hoofd van de sector Elektronische Diensten van de UBA. Hij geeft een inleiding over Web 2.0 en Library 2.0. Volgens Marc is Library 2.0 alomtegenwoordig en wanneer we het ons nog niet realiseren dan komen straks de gebruikers het gewoon eisen.
Marc geeft een inleiding over Web 2.0 en Library 2.0 die in de schoolboekjes kan. Komt met bekende voorbeelden, die hij gelukkig wel ingeblikt had, omdat sommige niet meer goed werken.
Bij de voorbeelden van de bibliotheek in de gebruikersomgeving laat Marc de greasemonkey script van John Udell zien die op de Amazon site aangeeft in welke bibliotheken de geïnteresseerde het betreffende boek ook zou kunnen lenen. Een ander voorbeeld zijn de gadgets van John Blyberg die bibliotheek diensten in iGoogle beschikbaar maken. Als laatste noemt hij Info Island op SecondLife.
In de staart speculeert Marc verder over de evolutie naar Web 3.0. Eigenlijk is het koffiedik kijken, maar de conclusie die ik trek uit zijn verhaal is dat hij ook ziet dat het einde van het wetenschappelijke artikel en boek nabij is, dat die vervangen gaan worden door andere vormen van uitwisseling.
Marc geeft een inleiding over Web 2.0 en Library 2.0 die in de schoolboekjes kan. Komt met bekende voorbeelden, die hij gelukkig wel ingeblikt had, omdat sommige niet meer goed werken.
Bij de voorbeelden van de bibliotheek in de gebruikersomgeving laat Marc de greasemonkey script van John Udell zien die op de Amazon site aangeeft in welke bibliotheken de geïnteresseerde het betreffende boek ook zou kunnen lenen. Een ander voorbeeld zijn de gadgets van John Blyberg die bibliotheek diensten in iGoogle beschikbaar maken. Als laatste noemt hij Info Island op SecondLife.
In de staart speculeert Marc verder over de evolutie naar Web 3.0. Eigenlijk is het koffiedik kijken, maar de conclusie die ik trek uit zijn verhaal is dat hij ook ziet dat het einde van het wetenschappelijke artikel en boek nabij is, dat die vervangen gaan worden door andere vormen van uitwisseling.
Labels: Bibliotheek 2.0, Marc van den Berg, TUVK08, Web 3.0
